BEVERWIJK - Ik heb nachtdienst in de nacht van 24 op 25 juni 2015 samen met een student van ons team en we zijn deze nacht al aardig bezig geweest met meldingen. We zitten op de helft van de nachtdienst en het begint steeds stiller te worden op straat. 

Ik verwacht dat er niet zo veel meer zal gebeuren en ik zit met mijn collega een bak koffie te drinken aan het bureau in Beverwijk. Dan horen we dat een van de andere noodhulpeenheden (roepnummer 31.02, ik en mijn collega zijn de 31.01) in ons gebied wordt opgeroepen door de meldkamer. Of zoals wij dat noemen, het OC (Operationeel Centrum). Of ze even naar Wijk aan Zee willen rijden en willen kijken in de omgeving van de Zeecroft. Er komen wat meldingen binnen dat er een verwarde man aan het schreeuwen is op straat. Ik zeg tegen mijn collega, op dit moment nog in opleiding, dat we ook wel even meerijden. Ik vind dat je als student elke melding moet meepakken, je kunt overal wel wat van leren. We melden aan het OC dat we een achtergrondje verlenen, stappen in de auto en gaan die kant uit. Onze collega’s zijn iets eerder ter plaatse dan dat wij zijn, maar we rijden al in Wijk aan Zee. Ik verwacht eigenlijk iemand die een biertje te veel op heeft en wat jolig denkt te zijn door te schreeuwen op straat, maar niets blijkt minder waar te zijn. Dan gaat deze melding in ene in een stroomversnelling en volgen er een paar hele hectische minuten die wel een uur lijken te duren.

“OC! 31.02 SPOED!! Die man staat met een mes te zwaaien, wij hebben ons vuurwapen getrokken!!” schalt het ineens over mijn portofoon. Ik geef door dat we er bijna zijn en trap het gas in. Binnen enkele seconden zie ik mijn collega’s staan. Ik zie ze met getrokken vuurwapen staan en in de lichtbundel van hun auto zie ik een man staan met een mes in zijn handen. Ik hoor dat de collega’s hem aanroepen dat hij dat mes moet laten vallen. Hij is op dit moment bezig om auto’s te bekrassen. Ik zet mijn auto zo neer, dat er nog meer licht schijnt op de man en stap ook uit de auto. Vooralsnog reageert de man nergens op. Ik probeer me te bedenken wat de scenario’s zijn waar we in uit kunnen komen. Deze gaan in een fractie van een seconde door mijn hoofd, de adrenaline doet zijn werk goed… Dit zou mogelijk een situatie kunnen zijn, waarin wij ons vuurwapen ook daadwerkelijk moeten gebruiken. In de wet staat dat indien mogelijk, elke vorm van geweld vooraf moet gaan aan een waarschuwing. En aangezien de man niet reageert op het aanroepen van mijn collega’s, trek ik mijn vuurwapen ook en los een waarschuwingsschot in de lucht. Ik hoop diep van binnen dat hij hier van schrikt, het mes laat vallen en zich overgeeft. Ik zie echter dat de man omdraait naar ons en besef me meteen dat dit niet gaat gebeuren. Ik zie aan de blik in zijn ogen dat hij niet ‘helder’ is. Ik vermoed dat hij in een psychose of een delier zit. De man begint ons in een onverstaanbare taal toe te schreeuwen en ik zie dat hij met zijn mes in zijn onderarm begint te snijden en te hakken. Mijn collega en ik beginnen te overleggen wat we moeten doen.
Pepperspray? Nee, daarvoor moeten we te dicht bij komen. Wij weten uit ervaring dat in deze toestand mensen beresterk zijn. We hebben toevallig de nacht ervoor ons nog in het zweet moeten werken op een andere man in een psychose en die kregen we met drie collega’s pas onder controle. 
Fysiek? Nee, ook dit is te risicovol. Normaal zouden we iemand allang hebben gegrepen, maar iemand in deze toestand is moeilijk onder controle te brengen. En we dragen dan wel steekwerende vesten, buiten dit vest om zijn zat plekken waar je niet gestoken wilt worden. Het mes is scherp en we willen wel weer in goede gezondheid naar huis na de dienst.

Zonder te veel in de details te treden zie ik ondertussen dat het snijden van het mes langzaam maar zeker alles van zijn onderarm doet verdwijnen. Luguber is het goede woord hiervoor. Ik hoor dat er collega’s onderweg zijn met een bus met daarin fietsen. Ik en mijn collega bespreken dat dit wel een goede optie zou zijn om de fietsen te gebruiken om hem te fixeren. Ondertussen blijven wij proberen contact te krijgen met de man in afwachting van de fietsen. Maar nog voordat de collega’s met de fietsen er zijn, komt het moment waar ik ergens al bang voor was en gehoopt had dat dit niet zou gebeuren. De man draait zich om naar ons toe, kijkt mij in de ogen aan, tilt het mes op en haalt het over zijn keel. Ik zie dat hij zichzelf verwondt, maar nog niet fataal. Maar als hij dit nog een keer doet, kan het zomaar in eens zijn afgelopen met hem. Ik zeg tegen mijn collega:”Ik weet niets meer, ik denk dat we hem maar neer moeten schieten! Als we niks doen, maakt ‘ie zichzelf dood.”
Ik hoor mijn collega zeggen:”Ja, dat moet dan maar.”

Ik zie dat de man het mes weer omhoog brengt. Ik richt mijn vuurwapen op zijn benen en haal de trekker over. Een knal, anders dan we gewend zijn op de schietbaan. Ik zie dat het schot raak is en ik zijn knie raak. De man zakt door zijn been en valt op de grond. Verschillende dingen gaan door mijn lijf. Het hele rare gevoel dat je iemand neerschiet, gelukkig iets wat niet vaak gebeurt. Daarnaast toch ook blij dat het schot wel raak is. Maar dit gevoel moet gauw plaats maken voor verbijstering. Ik zie dat de man het mes nog steeds vast heeft en weer overeind krabbelt en uiteindelijk weer op zijn benen staan. Iets meer op het ene been dan op het andere weliswaar, maar hij staat weer en wil met het mes weer gaan snijden. Mijn collega en ik halen op dit moment de trekker tegelijk over en we zien dat zijn andere been dit maal geraakt wordt en de man wederom naar de grond gaat. De opluchting dat hij geraakt is, is wel een stuk minder omdat hij al eerder is opgestaan. En ook nu zien we weer dat hij met het mes overeind wil krabbelen. Er vallen nog 2 schoten en nu ligt de man op de grond en kan duidelijk niet meer opstaan. Maar tot mijn grote verbazing gaat hij rechtop zitten. En met de arm die nog intact is en het mes nog steeds vast heeft, zie ik dat hij begint in te steken en te beuken op zijn hartstreek. Mijn collega en ik kijken elkaar aan en overleggen. Wat gaan we doen? Moeten we nu nog schieten? Wat als we dat doen, waar moeten we op schieten? Wat als dit schot minder goed uitpakt en hij sterft door onze kogels? Willen hem juist helpen en niet uit het leven jagen. Ondertussen is de man gaan liggen en blijft hij het mes proberen zijn borstkas in te duwen. Wij besluiten geen risico meer te nemen door nu nog een keer te schieten. Het is vreselijk moeilijk, maar het lot moet nu bepalen wat er gebeurt. En dan, gelukkig, gooit hij het mes weg!
Wij duiken bovenop deze man en geven door aan het OC dat we de man gaan fixeren. De ambulances, die op de achtergrond wachten op het sein veilig, rijden ook op. In de verte hoor ik ook het geronk van de motor van de traumahelikopter. Maar de man geeft zich alsnog niet zomaar over. Hij blijft zich zwaar verzetten tegen ons en met zeker 6 collega’s zitten wij er ondertussen bovenop. Een collega snijdt een stuk touw uit de reddingsklos en maakt een tourniquet om de zwaar gehavende arm van de man. Het lukt de arts een infuus aan te brengen en de man iets kalmerende medicatie te geven. Dit wordt uiteindelijk de maximale dosis en nog duurt het enige tijd voor de man onder controle is. Uiteindelijk hebben de medicatie het gewenste effect en wordt de man rustiger. Ik sta op en kan het overlaten aan de collega’s. Ik neem even afstand en kijk om mij heen. Ik zie dat de straat vol staat met politievoertuigen, ik zie collega’s vanuit een groot deel van Kennemerland, ik zie ambulances en een aardige oploop aan mensen op straat. De laatste keer dat ik keek, waren we met z’n viertjes en de verwarde man. Al deze mensen stonden achter ons, er is gelukkig nooit een gevaar voor hun geweest. Door de focus en concentratie heb ik niet meegekregen dat er onder andere collega’s vanuit Velsen en Haarlem hier zijn. De officier van dienst roept ons vieren bij elkaar en beslist dat wij niet langer hoeven te blijven en naar bureau moeten gaan. Dit voelt raar. Zo ben je volop in de actie en nu stappen we in een auto en rijden we terug naar bureau. Het adrenalinepeil zit nog erg hoog merk ik. We praten allemaal honderduit met elkaar. Aan het bureau gekomen, nemen we eerst maar een bakkie met elkaar. Er zijn allemaal mensen gealarmeerd. De teamchef, het bedrijfsopvangteam, de rijksrecherche, onze schietdocenten en nog vele anderen.

Er volgt een debriefing, waarbij wij allen aan het woord komen en het verhaal voor iedereen duidelijk wordt. Er is ontbijt geregeld, want het is ondertussen 09.00 uur. De dienst had om 07.00 uur in principe over moeten zijn. En we zijn nog wel even bezig. Na de debriefing wordt mijn wapen ingenomen door de Rijksrecherche en maken we afspraken voor de dag erna. Want er zal nog een verhoor plaatsvinden. Na alle formaliteiten kan ik me eindelijk omkleden en ben ik rond het middaguur thuis. Bekaf en toch klaarwakker. Ik ga nog even douchen en duik mijn bed in. Wonder boven wonder slaap ik toch als een blok. De onrust kwam dat ik die avond weer naar bed ging. Dromen, woelen, herbeleven. De dag erop volgt het onderzoek met de Rijksrecherche. Dit is intensief en ik ben weer bekaf aan het einde van de dag. Gelukkig heb ik hierna het weekend vrij en de tijd om even tot mijzelf te komen.

Het hoort er allemaal bij, maar je rust er niet echt van uit. Dan vroeg weer opstaan en er volgt een verhoor door de Rijksrecherche. Acht uur lang ben ik verhoord en staat alles tot op de puntjes op papier. De andere collega’s hebben soortgelijke verhoren. Gesloopt ga ik naar huis en heb gelukkig een vrij weekend. Al is de rode draad van het weekend wel even alles op een rijtje zetten. We leren te schieten ter aanhouding of in een noodweersituatie. Maar dat je uiteindelijk ter hulpverlening je zwaarste geweldsmiddel moet gebruiken, nee dat had ik eerlijk gezegd nooit verwacht te moeten doen.